Leven in volledige vrijheid

Peter Koene kocht ooit bij Keser in de Zuiderpassage zijn favoriete bureaustoel. De kunstenaar is er zuinig op. “Mooi? Nee, echt mooi is hij niet. Maar daarvoor heb ik hem ook niet gekocht.”

Het is ruim vijfendertig jaar geleden dat Peter Koene (1952) op de sloop een badkuip, een flinke stapel hout en een aanrechtblad kocht. Met het oog op het aanstaande verdwijnen van de BKR besloot de jonge kunstenaar in zijn atelier te gaan wonen. Na twee maanden verbouwen zegde hij de huur van zijn huis op en betrok hij het atelier in de W2. Jarenlang was het zijn thuis. In die tijd kocht hij op de Zuiderpassage bij Keser een bureaustoel. Het ding kostte wel negenhonderd gulden en dat was al een uitverkoopprijs. Oorspronkelijk was-ie twee keer zo duur. Vandaag staat die stoel nog steeds in zijn werkkamer. Enigszins versleten, maar voor Peter goed genoeg. “Het ding wiebelt nu een beetje, maar verder is het nog steeds een prima stoel.”

Sleutelbewaarder
Niet lang nadat hij in de W2 ging wonen, werd hij ook beheerder van de voormalige fabriek. “Sleutelbewaarder. Zo noemde ik het. Ik heb heel veel voor de gemeente gedaan daar. Ik coördineerde verbouwingen, faciliteerde werklui, zorgde dat ze overal bij konden. Het kostte veel tijd, maar ik vond dat ook heel leuk.” Toen het bouwen van het poppodium voorbereid werd, moesten er geluidsproeven plaatsvinden. “Die waren vaak ’s avonds. Ik liet de technici binnen en stond er met mijn neus bovenop. Dan werd er beneden heel veel lawaai gemaakt en stonden we boven te luisteren hoeveel je hoorde. Ik vond het allemaal even interessant.”

Officieel mocht je niet in een atelier wonen

Officieel mocht je niet in een atelier wonen. Nadat een buurman, na een conflict, hem aangegeven had bij de gemeente, kwam er een ambtenaar langs. Van tevoren had Peter zijn bed uit elkaar gehaald en opgestapeld in onderdelen tegen de muur gezet. “De ambtenaar was mijn vaste contact bij de gemeente met wie ik als beheerder wekelijks te maken had. Bij het zien van het bed in onderdelen schoot ie in de lach. ‘Het kan me geen zier schelen of jij hier woont’, zei hij.” Daarmee was de kous af. “En ik heb er nog jaren gewoond.”

“Ik heb maar drie weken van mijn leven voor een baas gewerkt.”

Een huis met een tuin
In 1989 vertrok Peter uit de W2. Zijn toenmalige vriendin wilde graag in ‘een huis met een tuin met een boom erin’ wonen. Ze kwamen in de Nieuwstraat terecht. Een tijd lang maakte Peter geen kunst meer, maar werkte hij in opdracht als grafisch vormgever. Al dat werk deed hij vanuit de bureaustoel van Keser. “Ik heb maar drie weken van mijn leven voor een baas gewerkt. Dat was vlak na mijn afstuderen aan de kunstacademie in 1977. In het nieuwe Provinciehuis was men door vele interne verhuizingen het zicht kwijt op de kunstcollectie en ik maakte een inventaris van waar welk werk gebleven was. Ik ben letterlijk in elke kamer van het gebouw geweest. Ik heb een lijst gemaakt waarop stond waar alles zich bevond. Zo trof ik bijvoorbeeld een schilderij van JCJ Vanderheyden aan dat gewoon ergens in een gang op de grond stond.”

Toen hij vijf jaar later in een kunstcommissie van de provincie plaatsnam, ontdekte hij dat alles nog precies zo stond als hij het achtergelaten had. “Krankjorum. Er was met mijn lijst uiteindelijk nooit iets gedaan. Zelfs die JCJ Vanderheyden stond gewoon nog in diezelfde gang op de grond.”

“Op de kunstacademie dwong men me voor één richting te kiezen. Dat liet ik nu helemaal los.”

Na die drie weken heeft Peter alleen nog maar als zelfstandige gewerkt. Na jaren van commercieel werk besloot hij opnieuw kunst te maken. “Ik ging alles maken wat ik eerst niet deed. Schilderen, beeldhouwen, tekenen. Op de kunstacademie dwong men me voor één richting te kiezen. Dat liet ik nu helemaal los.”

Versleten
Naast zijn vrije werk hielp hij ook met het opzetten van het Grafisch Atelier in de W2. Hij zat daar jarenlang in het bestuur en sinds drie jaar werkt hij daar als algemeen beheerder van de werkplaats. Meerdere keren per week loopt hij langs de plek waar ooit zijn bed stond. Nu maakt hij al zijn werk in de Nieuwstraat. Op een van zijn schilderijen staat de bureaustoel. Het is niet per se een mooi meubelstuk, dat vindt hij zelf ook, maar hij zit wel echt lekker. “En dat is waarom ik hem gekocht heb. De bekleding is behoorlijk versleten, dus op de zitting ligt nu een theedoek die ik ooit gekregen heb. Halverwege de jaren negentig heb ik nog eens voor meer dan honderd gulden een nieuw zitkussen gekocht. Daar zitten nu weer de gaten in. Ik doe niet gauw iets weg. Onlangs nog heb ik de wieltjes vervangen. Dat was nog een enorm gedoe, want ze pasten net niet. Handmatig heb ik ze zo bijgeslepen, totdat het werkte. Deze stoel hoop ik tot aan mijn dood te gebruiken. Het is een ongelooflijk solide ding.”