Passage aan zee

Voorzichtig laat hij zich in zijn bootje zakken en neemt de roeispanen op. De laagstaande zon prikt even door de wolken. Zelfs de vogels zijn nog niet wakker. ‘De vroege visser vangt de vis,’ heeft zijn grootvader lang geleden gezegd. De man moest eens weten.

Door: Jeroen Thijssen

Met twee slagen steekt hij over en draait naar links, de Vondelstraat in. Daar zijn nu ook de laatste huizen ingezakt en verdwenen. Goedkope bouw is dat geweest, daar heeft het water korte metten mee gemaakt. Hij woont beter, hoger, maar hij vreest de dag dat het rijzende, dalende water ook de laatste fundering van zijn flat zal ondergraven.

Zijn flat. Woord uit een verdwenen tijd.

Op de oude dijk, langs wat vroeger het kanaal was, vallen plekken droog en rond de Lambooybrug kolkt het. Het water is gezakt, meer dan op andere dagen. Zou er ergens een gemaal in bedrijf zijn? En voor hoe lang?

Het brokkelende asfalt van de Van Veldekekade ligt droog, de draden van zijn fuiken zijn duidelijk zichtbaar. Misschien moet hij een plek lager opzoeken, zodat ze niet zo opvallen. Het wachten is op de onverlaat die ‘s nachts zijn slag slaat.

Hoe vaak fokt die man nog door?

Van de Lambooybrug klinkt gejouw: de kinderen van Koster. Hoe vaak fokt die man nog door? Zijn vrouw moet tegen de vijftig lopen, is ze niet leeg, op? Een man wil wat, zegt Koster, en dan gebeurt er ook wat. Vroeger, ja, vroeger, toen kon je kinderen voorkomen. En die bij de Markt kunnen dat misschien nog steeds, maar delen doen ze daar niet. Harde pegels vragen ze, zijn vis ruilen ze voor brood of piepers, goud en zilver blijven in hun zakken. En je kunt niet om ze heen.

Op de hei bij Vught zijn nog akkers, de boeren leveren aan de stad. Die Vughters zijn niet mis. Een keer is hij erheen gepeddeld. Ze ontvingen hem nors, vroegen om pegels, om drank, vis konden ze zelf wel vangen, extra monden om te voeden hadden ze ook niet nodig- toen hij aan land wilde dreigden ze met geweld.

Hij ging terug, over wat de Bossche Broek heette, over wat Zuid was- hij weet de nutteloze namen nog. De Passage doet zijn naam wel eer aan, al passeert er vooral water.

Een steen plonst in het water naast zijn boot, de kinderen van Koster hebben puin gevonden op de oprit, die wonderlijk droog ligt. Dat zou Koster ze toch moeten verbieden. Ze hebben weinig contact maar buren zijn ze wel. Mogelijk ligt hij weer op zijn vrouw.

Tot bij zijn fuiken kunnen ze niet gooien. Hij meert aan op het minst modderige stukje. Zo laag heeft het water in twee jaar niet meer gestaan. Zou er iets aan de hand zijn? Heeft ergens een groep de touwtjes in handen genomen en iets gedaan? Den Haag?

Trillingen in het touw verraden een rijke buit.

Daar hadden ze niets meer van te verwachten, zeiden ze. ’Broeikaseffect,’ zeiden ze, riepen ze, ‘de zeespiegel’, maar niemand heeft geluisterd. Dit is het resultaat. Hij pakt het zwarte, natte touw van de eerste fuik en begint te trekken. Trillingen in het touw verraden een rijke buit. Dat is een geluk bij een ongeluk; de hoeveelheid vis is gegroeid en blijft groeien. In het eerste jaar na de vloed ving hij nauwelijks aal en bijna alleen brasem. Nu kronkelt de fuik van polsdikke gladde lijven en ritsen de hanenkammen van snoekbaars het net haast open. Laatst prikte de snuit van een steur door de mazen en zelfs de waterschilpadjes zijn terug, maar die smaken nergens naar, daar betaalt geen mens een stuiver voor. Als zijn vader dat had kunnen zien, en zijn broers. Ze zijn vertrokken, lang geleden al. Het gerucht ging dat er in het zuiden droog land te vinden was, en dat moet ook wel, de vloed is hoog gekomen en weer van de bergen afgelopen, dat kan niet anders. Droog land wilden ze vinden, om een huis te bouwen en boer te worden. Hem zouden ze komen halen als het zover was, maar dat is al weer lang geleden. Het verbaast hem niet, een visser kan geen boer worden. Misschien zijn ze dood.

Hand over hand haalt hij binnen. Boeren denken wel dat ze vissen kunnen, en doen dat ook. Hun vangst is mager en schurftig, maar goedkoop. Dat drukt zijn prijs. Is het tijd voor wat anders? Vissen zit hem in het bloed, hij is bijna in de winkel geboren.

Hij kan op zoek gaan naar zijn familie, naar het droge land, maar zelfs als hij ze vindt, als ze nog zouden leven, hoe zouden ze hem ontvangen daar? Zoals in Vught? Dan kan hij beter thuisblijven.

Misschien is het een idee om een rookkast te bouwen. Gewone paling kan iedereen vangen, maar roken is een vak. Hij heeft nog de voorraad houtmot liggen, en zout om de aal te pekelen.

En geen piepers voor paling, nee, harde pegels voor zijn vis.

Opgewonden haalt hij de dikste alen uit het net, de zwaarste baarzen, en brengt ze over in de bun van zijn boot. Dat hij daar niet eerder aan gedacht heeft. Een stenen vloer hier op de dijk, om de kast boven water te houden- er is puin genoeg en afvalhout. Houdbare vis, ideaal voor de Markt- en verder niemand die nog weet hoe je dat doet. Wat zullen ze opkijken. En geen piepers voor paling, nee, harde pegels voor zijn vis.
Hij stapt weer in, het water lijkt nog lager te staan dan eerder. Het zakkende water maakt navigeren moeilijk, autowrakken komen tevoorschijn en afgerotte bomen, en wie weet wat er nog onder de oppervlakte schuilt.

Ongemerkt is hij de Lambooybrug dichter genaderd dan verstandig is, maar Kosters’ kinderen zijn verdwenen; waarschijnlijk struinen zij over de droogvallende dijk. Koster zelf staat aan de brugleuning. Hij zwaait opgewonden en vormt zijn handen tot een toeter.
‘Heb je het gehoord?’ roept hij. ‘Ze zijn gekomen. De gemalen staan weer aan.’ Hij spreidt zijn armen naar de hemel. ‘Alles wordt weer normaal.’

In de bun van de boot kolken de alen.

Jeroen Thijsen. Foto: Esther van Gerwen

Vijf schrijvers, vijf residenties, vijf verhalen. In de Passage geeft iedere twee maanden een auteur een blik op de Zuiderpassage. Hij of zij neemt plaats in de glazen kubus die de Passage is en bliekt door de ramen naar buiten, loopt een rondje door het centrum, haalt iets te eten bij de Thai, gaat buurten in café Lohengrin. Het korte verhaal is fictief, maar altijd gebaseerd op het tijdelijke verblijf in de Passage. Daardoor komen twee compleet verschillende werelden bij elkaar: die van de schrijver en die van het winkelcentrum.