Het jubileum

Ik weet dat mijn zus hier al weken druk mee is. Er zijn briefjes op achterkanten van opengescheurde enveloppen, op vergeelde vellen uit een kladblok van een autogarage die al jarenlang niet meer bestaat en gele post-its die ze nog eens extra heeft vastgeplakt, omdat ze de plakstrips niet vertrouwt. 

Door Mijke Pol

‘Mama wil dat alles perfect loopt, je kent haar.’ Terwijl ze het zegt gaat ze met haar vinger langs een paar blaadjes.
‘Heb je de taart geregeld?’
Ik knik.
‘En heb je gezegd dat hij niet van die scherpe mosterd bij de bitterballen moet doen?’
Ik knik nog eens.
‘Hallo! Ik vraag je iets.’
‘Ik knikte. Twee keer.’
‘Nou, mooi.’ Met haar pen zet ze een streep door iets dat ik niet kan lezen. ‘Je weet het. Pap krijgt van alles met peper direct het zuur.’
‘Ik heb het doorgegeven.’
‘En dan nog even het cadeau.’
Voor het eerst kijkt ze me aan.
‘Het cadeau?’
Ze zucht. Haar zuchten duren altijd lang. In ons gezin heeft teleurstelling een bepaalde lengte.
‘Als mensen dertig jaar getrouwd zijn geef je meestal een cadeau John.’
Vroeger, toen we klein waren, wist ik dat het foute boel was als mijn moeder John zei. Ik werd thuis altijd sprietje genoemd. Al vanaf de geboorte was ik te dun. Mijn moeder zei het liefkozend. Sprietje, kom eens hier. Lief sprietje van me. Mijn zus zei het ook vaak, nog steeds wel. Hierdoor was het alsof John iemand anders was. Een man die altijd de verkeerde dingen zei en niet te vertrouwen was met de meest simpele taken.
Mijn zus knipte met haar vingers.
‘Niet doen’, zeg ik.
‘Ja sorry hoor. Maar ik moet ook overal aan denken.’
‘Ik dacht dat ons cadeau dit feest was. We huren de hele Lohengrin af, inclusief alle consumpties. Je weet toch wat dat kost?’
Dit feest kost me bijna een volledig maandsalaris.
Ze tikt ongeduldig met haar vingers op het aanrechtblad. Bij mij thuis zou daar geen ruimte voor zijn. Ik heb een kleinere keuken en een grotere stapel ongewassen vaat. Sinds mijn verhuizing is dat zo. Alle wooneenheden zijn klein. De keuken bestaat uit twee kastjes beneden en twee ondiepere hangkastjes. Er wordt van mij verwacht dat ik met weinig toe kan.
‘Ik stel voor dat we een grote bos bloemen laten komen. En het lijkt me ook mooi om hun trouwfoto op doek te laten drukken.’
Mijn moeder is altijd trots geweest op die foto. In die tijd kon mijn vader met zijn handen om haar middel en dan raakten de vingertoppen elkaar. Na de zwangerschappen droeg ze alleen nog maar hoge corrigerende onderbroeken, omdat ze gelezen had dat Indonesische vrouwen zich strak in doeken wikkelen na de bevalling. Al die vrouwen kregen hun strakke buik terug. Mijn moeder niet. Je krijgt er ook een hoop niét voor terug, zei mijn moeder vaak zuchtend.
‘Doe jij de bloemen?’
Gelatenheid is in de omgang met haar de beste strategie.
‘Is goed. Ik vraag Dick wel om iets moois te maken.’
‘Als er maar geen lelies of geraniums in zitten. Daar houdt mama niet van.’
‘Prima. Als dat alles is, dan ga ik nu. Ik heb nog een vergadering op het stadhuis.’
Mijn zus plakt een nieuwe post-it op. ‘Ik bel je vanavond nog een keer’, zegt ze.
Ik lees op het papiertje: Bloemen, John. Foto, Ellen.
‘En wel opnemen dit keer.’
Mijn ouders en Ellen zijn de enige die me bellen. Ik heb een hekel aan telefoneren.

Haar zuchten duren altijd lang. In ons gezin heeft teleurstelling een bepaalde lengte.

In mijn tas heb ik de spullen voor burgemeester Loeff gestopt. Morgen zit hij een persconferentie voor over een heikel akkefietje en ik moet hem straks voorbereiden op de meest kritische vragen. De burgemeester kan niet zonder mij. Hij wordt erg nerveus van de pers. Nergens voor nodig, want de journalisten stellen zelden echt goede vragen. Maar je weet het nooit, zegt de burgemeester dan. Soms denk ik wel eens dat ik eigenlijk bij de krant zou moeten solliciteren. Ik zou een hoop verbeteringen aan kunnen brengen.
Buiten blaast de wind dwars door mijn overhemd. Ik probeer te bedenken of ik net een jas aan had, maar ik weet het niet meer. Ik peins er niet over om terug naar mijn zus te gaan. Er schiet een kat over de weg. Verderop huilt een kind hard en lang. Naast hem zit een vrouw en aan hun voeten ligt een kleine fiets. Aan het einde van de straat rolt een man de groenbak over het trottoir. Het maakt meer geluid dan zou moeten.
Ik loop langs de sloot die in de zomer bedekt is met waterlelies. Iemand van de plantsoenendienst snoeit met grote halen de uitgebloeide bramenstruiken terug. Ik kijk of ik zijn gezicht herken. Iedere maandagochtend beginnen de mannen van de buitendienst met koffie op het kantoor achterin het stadhuis. Ik houd ervan om dan langs te lopen. Om hen heen hangt een geur van werk. Het zijn de enige ambtenaren die echt wat doen.
De man kijkt op als ik langsloop. Ik knik. Door zijn veiligheidsbril zie ik vriendelijke ogen.
‘Heeft u het niet koud?’ De man stopt met snoeien.
‘Een beetje wel ja. Maar ik probeer hard door te lopen.’
‘Moet u nog ver?’
Hij herkent me niet. Ik denk hem wel eens gezien te hebben, maar ben er ook niet zeker van.
‘Het park door. Ik moet naar het stadhuis.’
‘Zo, zo. Toch niet voor een bruiloft hè?’ De man lacht een grote gulle lach.
‘Nee, ik werk bij publiciteit.’
Ik wil niet zeggen dat ik de woordvoerder van de burgemeester ben. Hij zal denken dat ik een opschepper ben of ik breng hem in verlegenheid.
Opnieuw lacht de man. ‘Mij best joh’, zegt hij.
‘Sorry, ik heb een beetje haast.’
De man tikt op zijn slaap en pakt zijn grote snoeischaar weer. Zijn aanhangwagen zit al vol met takken en bladeren. Ik denk dat hij in een werkleer-traject zit. De gemeente begeleidt veel mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het zijn bijzondere mensen. Als de burgemeester positieve publiciteit nodig heeft, maak ik altijd een persbericht dat hier iets mee te maken heeft. De lokale sufferdjes pikken het altijd op. We hebben er een paar tussen zitten die er ook bijzonder uitzien. Types met duidelijke fysieke afwijkingen. Die schuiven we altijd naar voren voor de foto.
Terwijl ik grote snelle stappen probeer te maken, hangt de aktetas steeds zwaarder aan mijn arm. Achter me klinkt een bel. Er schiet slingerend een fietser voorbij.
Ik moet niet vergeten straks de bloemen te bestellen. Ik kijk op mijn horloge. Ik zou het misschien nu nog even kunnen doen. Aan de andere kant, de burgemeester houdt er niet van als ik te laat kom. Ik neem mijn tas in de andere hand en loop door.
Ik hoef niet na te denken over de weg. Al jaren ga ik te voet vanuit Zuid naar het centrum.

Intimiteit kan zomaar verkeerd opgevat worden. Ze heeft geluk dat ik niet al te moeilijk ben.

Ik hoor het ruisen van de Pettelaarseweg. Het is er bijna altijd druk en ik ben blij dat ik geen auto meer rij. Het verkeer gaat me te snel. Ik gedij niet in stress en haast. Bij een kastanjeboom staat een vrouw te zwaaien. Met samengeknepen ogen probeer ik het beeld wat scherper te krijgen, maar ik heb geen idee wie het is. Door mijn werk zie ik een hoop mensen. Ik ben slecht in gezichten. Ik heb dat van mijn vader; die wist vaak ook niet met wie hij stond te kletsen. Ik zou weer eens naar zijn graf moeten gaan. Het is bijna kerst.
Misschien moet ik straks bij Dick een kerststukje bestellen. Bloemen voor het feest en een stukje. Ik herhaal het een paar keer in mijn hoofd. Dan beklijft het beter. Door de drukte ontglipt me een hoop.
‘John!’ De zwaaiende vrouw loopt nu op een drafje naar me toe.
Misschien ken ik haar van de zwemles van vroeger. Of is ze een collega. Ik heb geen idee.
‘John!’ Ze roept het nog eens. Het is een volhardend type.
Ik blijf stilstaan en wacht tot ze bij me is. Ze draagt een soort gekke donkerblauwe cape en grote rode schoenen. Mijn moeder zou het niks vinden. Die was van de mantelpakjes.
‘John, wat fijn dat ik je zie. Ik werd net gebeld door Thea dat je bij het huis van je zus was.’
Thea is de bemoeizuchtige buurvrouw van Ellen. Volgens Ellen zit ze hele dagen achter de vitrage te loeren, in de hoop iets spannends te zien.
Ik knik vriendelijk naar de vrouw. Ze heeft iets bekends, maar ik weet echt niet hoe ze heet.
‘Ze zijn al een hele tijd naar je op zoek John.’
Ach, nu weet ik het weer. Ze werkt op het secretariaat van de burgemeester.
‘Nergens voor nodig. Ik ben al onderweg naar de grote baas. Ellen en ik moesten alleen even overleggen.’ Ik lach een toegeeflijke lach.
Ze glimlacht terug. Volgens mij heet ze Sandra. Of het is Jolijn. Ik weet het even niet meer.
‘Dus als je het niet erg vindt, dan loop ik even door. Ik heb nog een hoop te doen.’
Voor me valt een kastanje op de grond. Het is een geluk dat ik staande ben gehouden. Ik hoorde ooit over een man die zo zijn dood vond. Één simpele kastanje op zijn hoofd en het was einde oefening.
Sandra legt haar hand op mijn schouder en ik denk opeens dat ze daarmee moet oppassen in deze tijd. Intimiteit kan zomaar verkeerd opgevat worden. Ze heeft geluk dat ik niet al te moeilijk ben.
Straks, als ik klaar ben, moet ik me haasten. Mijn moeder heeft het stoofvlees opstaan. Ze weet dat ik daar dol op ben. En daarna moet ik Dick bellen. Die heeft gevraagd of ik terug wil bellen over het rouwstuk voor Ellen. Hij had er lelies ingedaan, maar daar hield ze niet van. Ik denk dat ik voorstel om er rozen in te doen. Witte rozen. Dat had ze vast mooi gevonden.

Mijke Pol. Foto: Esther van Gerwen

Vijf schrijvers, vijf residenties, vijf verhalen. In de Passage geeft iedere twee maanden een auteur een blik op de Zuiderpassage. Hij of zij neemt plaats in de glazen kubus die de Passage is en bliekt door de ramen naar buiten, loopt een rondje door het centrum, haalt iets te eten bij de Thai, gaat buurten in café Lohengrin. Het korte verhaal is fictief, maar altijd gebaseerd op het tijdelijke verblijf in de Passage. Daardoor komen twee compleet verschillende werelden bij elkaar: die van de schrijver en die van het winkelcentrum.