De laatste passage

Er staat een meisje op het blauwe bankje. Met haar handen in de zakken van een groezelige, groenbruine overall kijkt ze om zich heen. De zon is bijna achter de daken verdwenen maar laat nog een paar stralen op haar rode haar vallen, waardoor ze een beetje op een toorts lijkt. Ze is ongeveer net zo oud als ik, denk ik. Dertien. Veertien?

Door Lucas de Waard

Vanachter een prullenbak – of tenminste, ik dénk dat het een prullenbak was; er groeit een hele struik omheen, vol doorns, woest en kwaad, maar daaronder staat iets dat door mensenhanden gemaakt is – bekijk ik haar. Ze lijkt iets te zoeken. Of nee, ze observeert. Ze kent deze omgeving niet en is nieuwsgierig. In haar hand heeft ze een net geplukte bloem. Ze heeft geen idee waar ze is. Wat doet ze hier

‘Eerst was er heel veel pijn en toen ineens lag je daar, knalrood en nat van slijm en bloed, tussen de herfstbladeren’.

Ik ben hier geboren. Op een winderige nacht, onder een van de overkappingen. Het enige licht dat brandde was een klein, geel lampje achter het raam van de Chinees. Blijkbaar stond dat al maanden aan. Mijn moeder vertelde me dat ik niet huilde toen ik eruit floepte. Dat woord gebruikte ze: “floepte”.

‘Eerst was er heel veel pijn en toen ineens lag je daar, knalrood en nat van slijm en bloed, tussen de herfstbladeren’.

Mijn vader was er niet bij. Er was niemand bij. Iedereen was in een plant veranderd. Iedereen behalve mijn moeder.

“De grote verandering” – zo noemden wij het – begon een paar maanden voordat ik ter wereld kwam. Mijn moeder ging het vuilnis buiten zetten en zag op de oprit van de buren een fuchsia staan. Die was er gisteren nog niet, dacht ze. Ze ging terug naar binnen en zei tegen mijn vader: ‘Connie heeft een fuchsia buiten geplant.’

‘Die gaat dood’, zei mijn vader. ‘Het is min vijf.’

Dat buurvrouw Connie de fuchsia wás, dat begreep mijn moeder pas veel later, toen het al te laat was voor van alles en nog wat.

Het begon in de warmere gebieden. Spanje en zo. Daar veranderden de mensen hoofdzakelijk in varens en palmbomen. Binnen een dag of twee had het zich als een olievlek over de hele wereld verspreid en alles wat zich over de hele wereld verspreidt komt uiteindelijk ook in Brabant terecht. Hier veranderden de mensen vooral in kamer- en tuinplanten. De oude mensen gingen als eerste. Ineens stonden alle bejaardenhuizen vol met geraniums. Mensen waren er niet meer te bekennen. Vanaf dat punt werkte De grote verandering zich leeftijdsgewijs naar beneden. Daarom veranderde mijn vader pas een paar uur na de buurvrouw. In een philodendron.

In een dag of vier, vijf, was het gebeurd. De gehele mensheid – althans, dat nam mijn moeder aan – was in gebladerte veranderd. Iedereen behalve zij. Ze was alleen. Of nu ja, ze had mij, maar ik zat in haar buik. Ze bleef in ons huis wonen tot het eten op was. Daarna verhuisde ze naar de supermarkt. Helaas werd die na twee maanden overgenomen door wilde honden, en omdat ze inmiddels op knappen stond begon ze aan een voettocht richting een ziekenhuis, eentje die ze nooit afmaakte. In de wind en miezerregen werd ik geboren, onder de overkapping van een oud, verlaten winkelcentrum, waar klimop de winkels en de appartementen erboven overwoekerde, en her en der tussen de tegels uitgroeiende wilde rozenstruiken deden denken aan de mensen die hier ooit gewinkeld en gewoond moesten hebben. “Zuiderpassage”, zeiden door begroeiing kromgetrokken letters op een gevel. Maar er passeerde niets meer. Alles stond stil. En in die stilte lag ook ik te zwijgen.

Mijn moeder besloot om met mij in de muziekwinkel te gaan wonen. In de meeste andere winkels en woningen hadden zich dieren gevestigd, aanvankelijk vanwege etensresten natuurlijk. In de muziekwinkel was alles van metaal, hout of plastic. De vogels, honden, katten en ontsnapte paarden trokken eraan voorbij. Ze maakte een wieg van een vermolmde basedrum en een alarmsysteem van de bekkens. Ze gebruikte gitaarsnaren en dirigeerstokken voor pijl en boog, en algauw kon ze jagen. Zo leefden we hier jarenlang. Ik werd één tot en met twaalf jaar en al die tijd spraken mijn moeder en ik maar weinig met elkaar. Ze had me niet veel te vertellen, zei ze, omdat ze nergens een antwoord op wist. Waarom iedereen in een plant veranderd was en zij niet, wat we nu moesten doen, en hoe de toekomst er in vredesnaam uitzag; op al die vraagstukken moest ze mij, en zichzelf, het antwoord schuldig blijven. Dus leefden we hoofdzakelijk in stilte. We aten wild dier en groenten die we zelf verbouwden, en we dronken de voorraad van de kroeg aan de overkant op, een voorraad die eindeloos leek. En toen ging mijn moeder dood. Ik weet nog steeds niet precies waaraan. Op een ochtend werd ze niet meer wakker, en in de uren die volgden werd ze koud en stijf. Ik heb haar hier midden op het plein verbrand en haar as aan de voet van de boom uitgestrooid. Daar groeien nu wilde tulpen.
Sindsdien woon ik hier alleen. Soms kreeg ik gezelschap van een hert, of een zwijn, dat hier een tijdje rondscharrelde en niet bang voor me was, omdat hij nog nooit een mens gezien had en dus niet wist wat eraan te vrezen valt. Maar meestal was ik hier het enige dat ademhaalde. Tot nu

Ze maakte een wieg van een vermolmde basedrum en een alarmsysteem van de bekkens.

‘Hai’, zegt het meisje, dat me blijkbaar heeft gezien, verstopt achter deze struik als een stomme idioot.

‘Hallo’, mompel ik en ik kom tevoorschijn. Ze springt van het bankje.
‘Ben jij ook alleen?’

Ik knik. Ze kijkt om zich heen en wijst naar de paarse bloemen die aan de gevels hangen.

‘Mooi’, zegt ze. Daarna wijst ze naar de lianen aan de dakgoten en het wuivende gras dat tussen de omhooggekomen tegels doorpriemt. ‘Ook mooi.’

Ze heeft gelijk. Het is me nog nooit zo opgevallen, maar het is hier mooi. In die laatste zonnestralen zelfs prachtig. Prachtig en stil.

‘Ik heb honger’, zegt ze. ‘Heb je misschien een appel, of zoiets?’

Lucas de Waard. Foto: Esther van Gerwen

Vijf schrijvers, vijf residenties, vijf verhalen. In de Passage geeft iedere twee maanden een auteur een blik op de Zuiderpassage. Hij of zij neemt plaats in de glazen kubus die de Passage is en bliekt door de ramen naar buiten, loopt een rondje door het centrum, haalt iets te eten bij de Thai, gaat buurten in café Lohengrin. Het korte verhaal is fictief, maar altijd gebaseerd op het tijdelijke verblijf in de Passage. Daardoor komen twee compleet verschillende werelden bij elkaar: die van de schrijver en die van het winkelcentrum.